|
4. Aderverkalking en hartinfarct worden niet veroorzaakt door dierlijk vet Klik voor een literatuurverwijzing op de driehoekjes. Bedoelde referenties staan bovenaan de lijst die verschijnt Gezondheidsexperts
in veel landen zijn van mening dat aderverkalking en hartinfarct voorkomen
kunnen worden met gezonde voeding. Wie de literatuur op dit gebied door de
jaren heen heeft gevolgd, weet echter dat de definitie van ‘gezonde
voeding’ voortdurend verandert. Aanvankelijk werd aangenomen dat we de
inname van alle soorten vet moesten verminderen. Dit geloof berustte op
een artikel van de Amerikaanse fysioloog Ancel Keys, een van de
grondleggers van de cholesterolcampagne. In zijn artikel presenteerde Keys
een perfect lineair verband tussen de sterfte aan hartinfarcten en de
vetconsumptie in 6 landen. In de landen waar de vetconsumptie het hoogst
was, was de hartdodelijkheid het hoogst en andersom ▼. Maar Keys speelde vals. In die tijd waren er namelijk
al gegevens van 22 landen beschikbaar en als alle landen werden geincludeerd,
bleef van het verband weinig over ▼. Een paar jaar later volbracht Keys een nieuwe
studie, die hij ‘Seven Countries’ doopte. Dit maal had hij zeven landen
gekozen en in elk land 2 of 3 bevolkingsgroepen, die diverse klinische en
laboratoriumproeven ondergingen. Een doorsnede van elke groep werd gevraagd naar
de dagelijkse voedingsgewoonten. De grootte van die groepen is niet bekend. Met
hulp van lokale onderzoekers werden de deelnemers enkele jaren gevolgd en men
zocht naar een verband tussen de klinische observaties en de voeding ▼
. In tegenstelling tot in de eerste studie werd in
Seven Countries geen verband gevonden tussen de totale vetconsumptie en de
sterfte aan hart- en vaatziekten; in plaats daarvan identificeerde Keys
verzadigd vet als boef. Hoe meer verzadigd vet er in een land werd gebruikt, hoe
hoger de hartdodelijkheid gedurende de observatieperiode. Maar binnen de respectieve landen was er geen verband.
In Finland en Griekenland varieerde de hartdodelijkheid in twee gebieden met
respectievelijk een factor vijf en zeven, terwijl voeding en andere
risicofactoren in die regio’s nauwelijks verschilden. Bovendien was er geen
verband tussen de voeding en ECG-veranderingen bij de deelnemers. Een hartinfarct geeft karakteristieke veranderingen op het elektrocardiogram en alle ECG’s werden geanalyseerd door experts op het Amerikaanse onderzoekscentrum. De diagnose hartinfarct op het overlijdenscertificaat werd daarentegen gesteld door lokale artsen in de verschillende landen. We kunnen er daarom vanuit gaan dat de diagnoses die aan de hand van ECG’s werden gesteld aanzienlijk betrouwbaarder waren dan de diagnoses op de doodsbijwijzen (dat er geen verband is tussen de voeding en de ECG-veranderingen wordt niet door Keys genoemd, maar wordt duidelijk bij nauwkeurige bestudering van de tabellen in Keys’ artikel). Hoewel latere onderzoeken Keys’ observaties en
conclusies niet konden bevestigen ▼
, geldt Seven Coutries tot op de dag van vandaag als
een van de belangrijkste fundamenten onder het idee dat verzadigd vet schadelijk
is voor het hart-vaatstelsel. Meer hierover later. Ongeveer gelijktijdig wezen laboratorium-experimenten
uit dat meervoudig onverzadigde vetzuren, in vaktaal PUFA’s genoemd (Poly
Unsaturated Fatty Acids) het cholesterolgehalte van het bloed doen dalen. Men
raakte er daarom direct van overtuigd dat ze gunstig waren voor het hart. De Amerikaanse gezondheidsinsnanties adviseerden
daarom de inname van meervoudig onverzadigde vetzuren te verhogen. Aanvankelijk
werd geen bovengrens vastgesteld, maar later werd de maximale hoeveelheid
geleidelijk naar beneden bijgesteld. Tegenwoordig hanteren de meeste
gezondheidsinstanties een bovengrens van 7 % van de totale energie-inname. Dit
omdat Scott Grundy, een van hoofdfiguren achter de cholesterolcampagne, begin
jaren ‘90 schreef dat een hoge inname van linolzuur (dat overheerst in de
meeste plantaardige oliën) het risico op kanker, infecties en afwijkingen aan
de testikels bij ratten verhoogt ▼. Zijn waarschuwing stond overigens midden in een
artikel dat over iets heel anders ging, waardoor het publiek nooit over deze
waarneming werd geinformeerd. Als het hartinfarct zou worden veroorzaakt door te
veel dierlijk vet in de voeding, dan zou een toenemende consumptie ervan in een
land moeten leiden tot een hogere sterfte aan hartinfarcten en andersom. In
sommige landen klopt dat en de resultaten van deze landen zijn daarom gebruikt
als argument voor de cholesterolcampagne. In evenzovele landen werd een toename
van de consumptie van verzadigd vet echter gevolgd door een gelijkblijvende, of,
vaker nog, een afnemende infarctsterfte ▼. In Zwitserland nam de sterfte als gevolg van
hartinfarcten bijvoorbeeld af na de Tweede Wereldoorlog, terwijl het gebruik van
dierlijk vet in dezelfde periode met 20 % toenam. Een vergelijkbaar patroon is
in veel landen waargemomen ▼. In Engeland is de consumptie van dierlijk vet
betrekkelijk stabiel geweest sinds 1910, terwijl het aantal dodelijke
hartinfarcten tussen 1930 en 1970 tienvoudig toenam ▼. In de VS steeg de infarctsterfte vergelijkbaar tussen
1930 en 1960. In dezelfde periode nam de consumptie van plantaarige vetten
dramatisch toe, terwijl de inname van dierlijk vet lanzaam daalde ▼ In Japan is het hartinfarct als gezegd een
ongebruikelijk fenomeen. De Japanse Emigrantenstudie ▼ wordt vaak gebruikt als bewijs dat Japanners zijn
beschermd door hun magere voeding. Er wordt beweerd dat Japanners na emigeratie
naar de VS net zo vaak stierven aan hartinfarcten, omdat ze de vette Amerikaanse
voeding gingen eten. Bij nauwkeurige lezing van het artikel vind je echter dat
niet de voeding, maar de leefstijl dooslaggevend was. Japanners die de tradities
van hun moederland trouw bleven, handhaafden de lage hartsterfte, terwijl de
Japanners die probeerden te integreren in de Amerikaanse samenleving, hetzelfde
(Amerikaanse) risico gingen lopen op een dodelijk infarct. Het was zelfs zo dat de Japanners die die de
Amerikaanse gewoonten adopteerden, maar de magere Japanse voeding bleven eten,
twee keer zoveel risico op een dodelijk infarct liepen als de Japanners die de
vette Amerikaanse voeding prefereerden, maar voor de rest zo Japans mogelijk
bleven leven ▼. Als de hoeveelheid dierlijk vet in de voeding een rol
speelde, zouden infarctpatiënten meer verzadigd vet moeten hebben gegeten dan
gezonde personen. Is dat zo? Een antwoord hierop kan ondermeer worden verkregen
door middel van cohort-studies. Bij een cohort-studie kies je een groep gezonde
personen, van wie je de voedingsgewoonten tot in de kleinste details in kaart
brengt. Na een aantal jaar bezoek je alle deelnemers opnieuw en vergelijk je
voeding van degenen die een hartinfarct hebben gehad met die van de mensen die
nog gezond zijn. Een analyse van alle cohortstudies die zijn
gepubliceerd tot 1998 wees uit dat infarctpatiënten in drie cohorten meer
verzadigd vet hadden gegeten dan anderen. In 1 cohort hadden de infarctpatiënten
minder verzadigd vet gegeten en in 22 cohorten was er geen verschil. Nog
verwarrender werd het wanneer werd gekeken naar meervoudig onverzadigde vetzuren,
want geen enkele studie vond dat infarctpatiëenten minder meervoudig
onverzadigde vetzuren hadden gegeten, zoals de meesten hadden verwacht.
Daarentegen hadden de infarctpatiënten in drie cohorten meer meervoudig
onverzadigd vet gegeten, terwijl er bij de rest geen verschil was ▼ In dertien cohortstudies was eveeens gekeken naar de
hoeveelheid cholesterol in de voeding. Er was geen verschil tussen de
infarctpatiënten en de gezonden ▼ Een andere manier om het vraagstuk te bestuderen, is
de zogenoemde case-control studie. Je selecteert een groep infarctpatiënten en
vergelijkt hun voeding met die van een groep gezonde personen van hetzelfde
geslacht en dezelfde leeftijd. Deze methode wordt tegenwoordig niet toegepast,
omdat de meeste infarctpatiënten hun voeding na het hartinfarct hebben
aangepast. Toch zijn er zes van zulke studies uit de tijd dat infarctpatiënten
nog geen standaard voedingsadvies kregen. Geen van deze case-control studies
vond enig verschil in inname van verzadigd vet ▼. Het doel van de voedingsadviezen is het cholesterol
omlaag te brengen, in de hoop dat die verlaging aderverkalking voorkomt. Als het
zo zou werken, zouden mensen die de magere voedingsadviezen opvolgen minder
atherosclerose hebben dan degenen die zich tegoed doen aan boter, spek en room.
In vier cohortstudies werd de voeding van de deelnemers vergeleken met de mate
van atherosclerose. In één studie hadden degenen die het meeste verzadigd vet
hadden gegeten ook de meeste aderverkalking, maar in twee andere studies was het
precies omgekeerd. De vierde studie vond geen verschil. In drie studies werd ook
gekeken naar de verhouding verzadigd vet en meervoudig onverzadigd vet, maar
opnieuw werd geen verband gevonden met de mate van aderverkalking ▼.
Het doorslaggevende bewijs voor een
oorzaak-gevolg-relatie wordt in de medische wetenschap geleverd in
klinische experimenten. Er zijn negen van dergelijke studies uitgevoerd,
waarin de enige interventie bestond uit het vermindering van de
hoeveelheid verzadigd vet in de voeding; in enkele van deze studies aten
de deelnemers tegelijkertijd meer meervoudig onverzadigd vet. Een
meta-analyse van deze studies laat zien dat de sterfte onder degenen die
de interventievoeding kregen exact gelijk was aan de sterfte onder de
mensen die aten wat ze wilden
▼. In het enige experiment waarin de sterfte
statistisch significant werd verminderd, kregen de deelnemers een
spijsolie met een hoog aandeel omega-3 vetzuren. Het cholesterolgehalte
van de beide groepen in deze studie was exact gelijk, waaruit we moeten
concluderen dat het gunstige effect geen gevolg was van een daling van het
cholesterol.
|