|
6.
Het effect van statines berust niet op
cholesterolverlaging Klik voor een literatuurverwijzing op de driehoekjes.
Bedoelde referenties staan bovenaan de lijst die verschijnt. Zoals al opgemerkt in eerdere hoofdstukken, is
aangetoond dat we ons risico op een hartinfarct niet kunnen verlagen door minder
verzadigd vet te eten of door ons cholesterolgehalte omlaag te brengen met
medicijnen. Nieuwe, effectieve cholesterolverlagers hebben de
cholesterolcampagne echter opnieuw wind in de zeilen gegeven. Natuurlijk heeft
cholesterolverlaging zin, is de boodschap. En inderdaad, behandeling met
statines vermindert het risico op zowel hartinfarct als beroerte. Statines
werken Is daarmee bewezen dat een verhoogd cholesterol de
belangrijkste oorzaak van atherosclerose en het hartinfarct is? Is de verklaring
voor alle eerder mislukte experimenten dat we het cholesterol eenvoudig niet
genoeg omlaag brachten? Cholesterol verlagen doen de statines namelijk
uitzonderlijk goed. Ze kunnen het cholesterolgehalte zo’n 30 tot 40 % doen
dalen. Maar de resultaten van statine-experimenten op mensen
stroken niet met wat we eerder hebben geleerd over cholesterol. Merkwaardige
uitkomsten Ten eerste geeft statinetherapie bescherming tegen
beroertes, terwijl de meeste studies aangeven dat cholesterol geen risicofactor
voor een beroerte is. Ten tweede werken statines het best voor patiënten
die reeds een hartinfarct hebben doorgemaakt, terwijl de meeste onderzoeken
laten zien dat een hoog cholesterol nu juist géén risicofactor is voor mensen
die al een hartinfarct hebben gehad. Ten derde werken statines ongeacht of het
cholesterolgehalte hoog of normaal is. Maar het merkwaardigste is dat statines het risico
zowel verlagen wanneer ze het cholesterol met meer dan 40 % verminderen als
wanneer ze het cholesterol slechts een beetje verlagen, zoals ook de oude
werkingsloze cholesterolverlagers deden. Er ontbreekt dosis-respons, met andere
woorden er is geen verband tussen de mate van cholesterolverlaging en het effect
van het geneesmiddel op hart en vaten. Dit is vastgesteld in de drie
statine-experimenten waarin de dosis-respons werd berekend ▼
▼
▼ en in de meer dan 20 angiografische onderzoeken
waarin werd getracht atherosclerose af te remmen door cholesterolverlaging,
ondermeer met behulp van statines ▼. Hoe komt het het dat een cholesterolverlagend medicijn
ziekten kan voorkomen bij mensen voor wie een hoog cholesterol geen risicofactor
is? En hoe komt het dat een cholesterolverlagend medicijn
werkt ongeacht de mate van cholesterolverlaging? De
andere effecten van statines De enige logische verklaring is dat statines andere,
nuttiger eigenschappen bezitten dan alleen het verlagen van het
cholesterolgehalte. Veel wijst erop dat dat inderdaad zo is. Vandaag de dag
kennen we 11 verschillende eigenschappen van statines, die stuk voor stuk
gunstig voor het hart en het vaatstelsel kunnen zijn. En ze zijn stuk voor stuk
niet onafhankelijk van het effect op het cholesterol ▼. Helaas hebben statines ook veel negatieve effecten,
waarover later meer. Statines bieden dus op de een of andere maner
bescherming tegen hart- en vaatziekte, maar het effect berust niet
cholesterolverlaging. Maar waarom zouden we ons druk maken om
farmacologische mechanismen? Is het niet geweldig dat statines werken? Zouden we
niet allemaal aan de statines moeten? Moeten we het niet gewoon aan het
drinkwater toevoegen, zoals enkele ijverige statine-onderzoekers hebben
voorgesteld? Misleidende
getallen Laat ons eerst eens een blik werpen op de uitkomsten
van de klinische onderzoeken. Voor de duidelijkheid toon ik alleen het effect op
de sterfte. Hoe groot is het risico om te overlijden aan een hartinfarct met en
zonder statinebehandeling? Volgens een van de eerste statinestudies, de
Scandinavische 4S, verminderde statinegebruik het risico om te overlijden aan
een hartinfarct met 41 %▼. In de CARE-studie verminderde het risico met 24 % ▼
en in de WOSCOPS-studie met 28 % ▼. Het lijken indrukwekkende getallen, maar laat ons de
berekeningen van de studieleiders eens onder de loep nemen. In de 4S-studie, waarin werd gekeken naar 4444
hartpatiënten met een hoog cholesterol, overleden in de behandelde groep 111
mensen, ofwel 5 %, aan een hartinfarct, tegen 189 (8,5 %) in de onbehandelde
controlegroep. Dat is een verschil van 78 doden. Dat wil zeggen dat 3,5 procent
van degenen die gedurende vijf jaar met de statine in kwestie werden behandeld,
werden gered van een dodelijk hartinfarct. Maar waar komt die 41 % vandaan? Nou, 78
overlijdensgevallen is 41 % van 189. In de CARE-studie, waarin werd gekeken naar ruim 4000
infarctpatiënten met een normaal cholesterolgehalte, stierven 96 mensen, ofwel
4,6 %, in de behandelde groep aan een hartinfarct, en 119, ofwel 5,7 % in de
controlegroep; een verschil van 23 doden, ofwel 1,1 %. Als de CARE-studie wordt genoemd, wordt ons verteld
dat het risico om aan een hartinfarct te overlijden met 19 % afnam, wat ook
correct is, omdat het verschil van 14 doden 19 procent van 119 is. De WOSCOPS-studie telde meer dan 6500 gezonde mannen
met een hoog cholesterol, die 4 jaar werden behandeld. Hier overleden 38
personen, ofwel 1,2 procent, in de behandelde groep aan een hartinfarct, tegen
52, ofwel 1,6 procent in de controlegroep, een verschil van 14 doden, ofwel 0,4
%. Maar in het reclamemateriaal staat dat het risico met
27 % afnam; het verschil van 14 doden is immers 27 % van 52.
De
kans om te overleven Als je een hartinfarct hebt doorgemaakt en een normaal
cholesterol hebt (oals in CARE), dan is je kans om in de komende vijf jaar niet
aan een infarct te sterven 94,3 % zonder behandeling. Als je vijf jaar lang elke
dag een statine slikt, kun je je kans verhogen tot 95,4 %. Als je gezond bent en een hoog cholesterol hebt (zoals in WOSCOPS), is je kans om de komende vier a vijf jaar niet aan een hartinfarct te overlijden maar liefst 98,4 %. Neem je gedurende die periode dagelijks een statine, dan verhoog je je kans tot 98,8 %. Een
vergeten statine-studie In alle statine-studies is de vermindering van de
totale sterfte minder dan die van de hartdodelijkheid. De verklaring? Als
degenen die een statine krijgen niet overlijden aan een hartinfarct, overlijden
ze aan iets anders. In het PROSPER-onderzoek bijvoorbeeld, waar alle bijna 6000
hoogrisicopatiënten 70 jaar of ouder waren, werd de winst van 20 minder
dodelijke hartinfarcten ‘gecompneseerd’ door 24 extra kankerdoden ▼
. En in Excel, de eerste statine-studie – die
overigens volkomen lijkt te zijn vergeten wanneer statine-enthousiasten de
stralende resultaten beschrijven – was de sterfte al na een jaar hoger in de
behandelde groep: 0,3 % in de statinegroep tegen 0,1 % in de placebogroep. Na
dat eerste jaar werd de studie afgebroken, omdat het doel van de studie slechts
was om te kijken of de patiënten de behandeling tolerereerden. Dat deden ze,
schreven de onderzoeksleiders ▼
. Heel weinig artsen en onderzoekers kennen de
EXCEL-studie en nog minder van hen hebben gehoord van de verhoogde sterfte. Er
staat namelijks niets over in de samenvatting van het onderzoeksrapport, het
‘abstract’, en de meeste artsen en onderzoekers lezen alleen samenvattingen. Bijwerkingen Spierklachten Een van de gebruikelijkste bijwerkingen zijn spierpijn
en spierzwakte. In zeldzame gevallen kan dit leiden tot rhabomyolyse, een
ernstige vorm van spierafbraak die de nieren beschadigt en de dood tot gevolg
kan hebben. Toen Lipobay, de statine van de Duitse medicijnfabrikant Bayer,
enkele jaren op de markt was, werd duidelijk dat meer dan 50 patiënten waren
overleden aan rhabomyolyse en Bayer zag zich gedwongen het middel van de markt
te halen. Volgens Bayers laatste rapport uit 2004 zijn meer dan 100 mensen aan
het gebruik van Lipobay overleden. Hoeveel mensen dialyse-patiënt zijn geworden
of een niertransplantatie hebben moeten ondergaan, weten we niet. Spierklachten treden offcieel op bij minder dan 1 %
van de gebruikers. Er is echter reden om aan dat getal te twijfelen. Bij een
studie onder 22 professionele atleten met familiaire hypercholesteremie, die
werden behandeld met verschillende statines, stopten 16 van hen met het medicijn
vanwege spierklachten (11). Serieuze atleten zijn waarschijnlijk gevoeliger voor
spierklachten, maar op oudere mensen kunnen zelfs milde spierproblemen
invalidiserende consequenties hebben. Leverschade Maar de definitie van wat ‘verhoogd’ is, is in
tenminste twee onderzoeken twee keer hoger dan de hoogste normaalwaarde. Bij
hoeveel mensen statinebehandeling
‘slechts’ een verdubbeling van de leverwaarden geeft, weten we niet, net zo
min als we weten hoe de leverfunctie is na vele jaren behandeling. Cerebrale
bijwerkingen Het komt dan ook niet geheel onverwacht dat de
Amerikaanse onderzoekster Beatrice Golomb heeft vastgesteld dat
statinebehandeling soortgelijke effecten kan uitlokken ▼ . Alle symptomen verdwenen wanneer de patiënten met
de statine stopten, om weer terug te keren als ze weer begonnen te slikken.
Andere onderzoekers hebben een langzaam voortschreidend geheugenverlies ▼ en dementie beschreven ▼
. Zenuwbeschadigingen Schade
aan de ongeboren vrucht Kanker Zoals eerder vermeld, steeg het risico op kanker in de
PROSPER-studie. De schrijvers begatelliseerden deze vondst door te stellen dat
een analyse van alle statine-studies geen verhoogde voorkomst van kanker liet
zien. De gemiddelde leeftijd in de andere studies was echter 25 jaar lager dan
in PROSPER en zoals bekend neemt het risico op kanker met de jaren fors toe. In een andere statine-studie, CARE, ontwikkelden 13
vrouwen in de behandelde groep borstkanker, tegen slechts 1 in de placebogroep.
In latere studies werd geen verhoogd borstkankerrisico gevonden, maar in die
studies werden, in tegenstelling tot in CARE, alle vrouwen die eerder
borstkanker hadden gehad uitgesloten ▼. Een opvolging van de de deelnemers aan de 4S-studie
liet geen verhoogd kankerrisico zien en de onderzoekers concludeerden daaruit
dat ook 10 jaar statinetherapie geen extra kanker geeft. Dat geeft 10 jaar roken
echter ook niet. Twijfelachtige
cijfers Een belangrijke vraag is of de bijwerkingen in de
klinische praktijk net zo ongebruikelijk zijn als in de statine-studies. Veel
deelnemers worden namelijk weggeselecteerd vóór zulke studies officieel
beginnen. In de TNT-studie sloten de onderzoekers bijvoorbeeld 3000 mensen uit
van deelname; sommigen vanwege ‘overgevoeligheid’ voor statines, anderen op
grond van verhoogde leverwaarden, vanwege kanker of andere ernstige ziekten en
1176 vanwege ‘andere oorzaken’. Vervolgens kregen alle deelnemers gedurende
enkele weken een proefdosis statine, waarna nog eens 5429 deelnemers werden
uitgesloten. De meesten omdat ze niet voldeden aan de criteria van het onderzoek,
maar 193 vanwege bijwerkingen, 212 vanwege nieuwe hartproblemen en 373 ‘om
andere redenen’ ▼
. Van de meer dan 18.000 oorspronkelijke deelnemers,
deden er uiteindelijk slechts 10.000 mee aan de eigenlijke studie, een
aanzienlijk gezondere groep dan de patiënten die in de dagelijkse klinische
praktijk worden behandeld. Het is ook algemeen bekend dat veel ernstige
bijwerkingen pas worden ontdekt als een nieuw medicijn routinematig in de
kliniek wordt gebruikt. Het is dan ook van groot belang dat artsen alle
bijwerkingen van een medicijn rapporteren bij de centrale meldingsinstanties die
de meeste landen daarvoor hebben. Maar slechts weinigen doen dat, vanwege
tijdgebrek of uit angst om te worden berispt wegens onzorgvuldig medisch
handelen. Een enquete onder alle artsen in de Amerikaanse staat Rhode Island
wees bijvoorbeeld uit dat de ernstige bijwerkingen die waren gemeld bij de
overheid slechts 1 % vertegenwoordigden van het aantal dat de artsen in
diezelfde perode hadden waargenomen ▼
.
Hoe zouden artsen trouwens kunnen weten of de
symptomen van een patiënt een bijwerking van een medicijn zijn? Een haperend
geheugen, spierzwakte en kanker komen tenslotte vaker voor naarmate we ouder
worden en bovendien staat er niets over zulke bijwerkingen in hun handboeken.
Oudere mensen gebruiken bovendien niet zelden veel verschillende medicijnen
tegelijk. Zelfs als de dokter vermoedt dat het om bijwerkingen gaat, hoe kan hij
of zij weten welke van de vele preparaten de boosdoener is?
|